Nieuwe insolventieverordening 2015/848: enkele wijzigingen

aanstellingsplicht commissaris

Nieuwe insolventieverordening 2015/848: enkele wijzigingen

Geschreven door Evelyn Waumans, semesterstagiaire bij het team corporate en IP/ICT recht.

De Insolventieverordening 1346/2000 werd per 20 mei 2015 herzien en de nieuwe Insolventieverordening 2015/848 zal van toepassing zijn op insolventieprocedures die op of na 26 juni 2017 geopend worden. Verordening 2015 bevat een aantal verfijningen.

Ten eerste werd het toepassingsgebied van de Verordening uitgebreid naar procedures waar de schuldenaar zelf de boedel bestuurt (debtor in possession’) en procedures in een situatie waar slechts een risico op insolventie bestaat, mits die procedure tot doel heeft de insolventie of een staking van de bedrijfsactiviteiten te voorkomen (art. 1). Ook de regels betreffende bevoegdheid werden aangepakt en opgekuist, in het bijzonder werd een definitie opgenomen van het veelbesproken COMI-begrip en werden enkele verdachte periodes ingevoerd (art. 3). Vervolgens zorgt Vo 2015 voor een nauwere coördinatie tussen de hoofd- en de territoriale procedures. Bovendien zorgt Vo 2015 voor een sterk verbeterde publiciteit op Europees niveau van verschillende juridische acties die betrekking hebben op insolventie. Tot slot stemt Vo 2015 zich af op de economische werkelijkheid, door een reeks nieuwe bepalingen te voorzien die de coördinatie van insolventieprocedures van groepsvennootschappen moet verbeteren (art. 56 t.e.m. 77). Mede hierdoor is Vo 2015 en haar preambule heel wat omvangrijker dan Vo 2000.

De rechtszekerheid wordt bevorderd met Vo 2015 door het invoegen van een definitie van het COMI-begrip in artikel 3.1: “Het centrum van de voornaamste belangen is de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en die als zodanig voor derden herkenbaar is”. Deze bepaling werd overgenomen uit overweging 13 van Vo 2000 en sluit ook aan bij de rechtspraak van het Hof van Justitie. Van een echte grote wijziging in Vo 2015 betreffende het COMI-begrip is aldus geen sprake. Bij het lokaliseren van het COMI, komt het erop aan om voorrang toe te kennen aan de criteria die zichtbaar zijn voor derden en die het voorwerp uitmaken van publiciteit of tenminste voldoende transparant zijn zodat de schuldeisers er kennis van konden hebben.

Ten einde oneigenlijke of op fraudeleuze gronden gebaseerde forum shopping te voorkomen voert Vo 2015 enkele maatregelen in (overweging 29 Vo 2015). Het COMI-begrip wordt bijgestaan door de vermoedens vervat in artikel 3.1 Vo 2015. Het weerlegbaar vermoeden van de statutaire zetelvoor vennootschappen en rechtspersonen blijft behouden. Voor natuurlijke personen die als zelfstandige een bedrijfs- of beroepsactiviteit uitoefenen, voert Vo 2015 ook een vermoeden in: voor hen wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het COMI vermoed de plaats van diens hoofdvestiging te zijn. In het geval van andere natuurlijke personen wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed diens gebruikelijke verblijfplaats te zijn.

Overweging 30 van Vo 2015 stelt dat het vermoeden van de statutaire zetel weerlegbaar is indien uit een integrale beoordeling van alle relevante factoren blijkt dat het werkelijke centrum van bestuur en toezicht van de vennootschap en van het beheer over haar belangen zich in een andere lidstaat bevindt.

De Europese wetgever is zich duidelijk bewust van het fenomeen van forum shopping en de nood aan waarborgen om dit fenomeen te voorkomen. Daarom wordt in Vo 2015 forum shopping ontmoedigd door het invoeren van verdachte periodes (‘look back periods’), waarin het vermoeden van de statutaire zetel, hoofdvestiging of gebruikelijke verblijfplaats niet zal gelden voor het bepalen van de internationale bevoegdheid. Voor vennootschappen en rechtspersonen wordt een periode van 3 maanden voorzien: indien de statutaire zetel in de drie maanden voorafgaand aan het aanvragen van de insolventieprocedure naar een andere lidstaat is overgebracht, zal het vermoeden niet gelden. Voor natuurlijke personen die als zelfstandige een bedrijfs- of beroepsactiviteit uitoefenen bedraagt de verdachte periode eveneens 3 maanden. Voor elke andere natuurlijke persoon bedraagt de verdachte periode 6 maanden. Of deze verdachte periodes veel effect zullen hebben in de praktijk, zal de toekomst moeten uitwijzen.

Een belangrijke wijziging betreft de ambtshalve toetsing van bevoegdheid door de geadieerde rechter. Vo 2015 stelt dat de rechter, vooraleer een insolventieprocedure te openen, ambtshalve moet onderzoeken of het COMI van de schuldenaar of de vestiging zich daadwerkelijk binnen zijn rechtsgebied bevindt (art. 4). In de beslissing tot opening van de insolventieprocedure moet de rechter aangeven op welke gronden zijn bevoegdheid gebaseerd is, en meer bepaald of de bevoegdheid gegrond is op artikel 3, lid 1 (hoofdprocedure) of artikel 3, lid 2 (territoriale procedure). Bovendien kan de geadieerde rechter, indien hij twijfelt over het COMI, aan de schuldenaar aanvullend bewijs vragen. Om ervoor te zorgen dat deze maatregel niet louter resulteert in een ‘box ticking’ door de nationale rechtbanken, voert Vo 2015 een rechtsmiddel in voor de schuldenaar of schuldeiser die het niet eens is met de openingsbeslissing. Deze kunnen de beslissing tot opening van de hoofdprocedure voor de rechter aanvechten o.g.v. de internationale bevoegdheid (art. 5). Het blijft natuurlijk afwachten of deze maatregelen uiteenlopende nationale uitspraken kunnen voorkomen in de toekomst.

De wijzigingen, zoals hierboven besproken, betreffen dus voornamelijk een codificatie van bestaande regels en interpretaties van het COMI-begrip door het Hof van Justitie. De discussie over het COMI-concept lijkt dan ook zeker nog niet ten einde. De toekomst zal uitwijzen hoe er in de praktijk wordt omgegaan met de nieuwe bepalingen.